“Het gaat niet over links en rechts, progressief en conservatief, maar over angsten, hoop en verhalen”

door Tabitha van Krimpen

 

Robert Jan Nijland (34) sloot zich op zijn achttiende aan bij een evangelische gemeente in Lelystad. Hoe is het om toe te treden tot een gemeenschap? En hoe ga je om met verschillen? “Conservatievere mensen heb ik wel meer moeite mee. Maar ze dwingen me óók de hele tijd vragen aan mezelf te blijven stellen.”

 

Hoe speelt gemeenschap, of meer specifiek een kerkgemeenschap, nu een rol in jouw leven?

Ik ben opgegroeid in een niet-christelijk gezin. Toen ik negen was kreeg ik diabetes. Dat vond ik heel zwaar en ik heb me daar lange tijd tegen verzet. Dat leidde in mijn puberteit tot een depressie.

Rond mijn achttiende kreeg ik op een of andere manier, dat is moeilijk uit te leggen, interesse in wat geloof voor mij zou kunnen betekenen. Toen ben ik naar allerlei kerken geweest, en uiteindelijk in een Evangelische gemeente terecht gekomen. Daar ben ik lid geworden, en dat ben ik nu nog steeds.

 

Zie je dat ook heel duidelijk als opnieuw beginnen?

Ja, zeker. Dat ik nu pastor ben (in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam, red.) en voor de kerk werk had ik vóór mijn achttiende nooit kunnen dromen of bedenken. Daarna wist ik wel dat ik echt voor de kerk wilde werken. Dat is een grote verandering inmijn leven, waar ik nog steeds heel dankbaar voor ben.

Elke gemeenschap heeft dubbele kanten. Deze kerkgemeente gaf me, in die tijd waarin ik in mijn depressie zat, mij de boodschap: we zijn blij dat je er bent, je leven heeft betekenis want God heeft jou gemaakt. Dat waren woorden die ik nodig had, die me betekenis gaven. Dat had ik toen heel erg nodig. Door die gemeenschap heb ik ook wie ik nu ‘God’ noem leren kennen. Daar ben ik heel dankbaar voor.

Maar die gemeente was ook in bepaalde aspecten conservatiever dan ik. Bijvoorbeeld homoseksualiteit – ik ben getrouwd met een man – vonden zij een zonde. Daar heb ik wel enorm mee geworsteld. De gemeente gaf me het gevoel: ‘we vinden je waardevol, je mag erbij horen, maar dát deel van jezelf is eigenlijk niet goed.’ En dat is ook jaren een strijd geweest, intern, maar ook tussen mij en de kerk.

 

Speelde dan ook de vraag of je daar wel bij wilde horen?

Ik hoorde er al bij, de vraag was: wil ik daarbij blijven horen? En dat is een spannende vraag. Ik zei het net al, ik ben nog steeds lid. Maar die worsteling is er nog steeds, op dat gebied.

 

Zie je daar iets in veranderen?

Een gemeenschap bestaat uit een heleboel individuen bij elkaar. En binnen die gemeenschap zijn er ook weer groepen, sommige conservatiever en andere progressiever. Ik hoor bij die progressievere mensen, de andere progressieve mensen in die gemeenschap vind ik heel waardevol.

De conservatievere mensen heb ik meer moeite mee. Maar ze dwingen me ook de hele tijd vragen aan mezelf te blijven stellen. Niet dat ik mijn eigen homoseksualiteit bevraag, maar op andere gebieden helpen ze me wel om na te denken. Wie ben ik en waar sta ik voor? Wil ik niet te hard en te snel? En ook rondom geloof en Godsbeelden word ik telkens weer uitgedaagd anders te denken. Dat roept op tot reflectie.

 

Is dat, als we het breder trekken, ook de waarde van een gemeenschap?

Ik denk wel dat de waarde daar ergens in te vinden is. Ik geloof dat je iemand anders nodig hebt om te bepalen wie je zelf bent. Om te bedenken waar zitten overeenkomsten, waar zitten verschillen, wat maakt dat ik ‘ik’ ben? En dat jij ‘jij’ bent?

Daar heeft Levinas ook wat over gezegd.

“Ik word ik in het aangezicht van de ander”, toch? En het mooie daarvan: Levinas bedoelt dat de ander ook God – dus de Ander met een hoofdletter – kan zijn. Door met anderen te praten leer ik ook hun Godsbeeld kennen. En dat laat me inzien dat God veel groter is dan de weg die God met mij gaat. En dat het beeld wat ik maak, veel te klein is.

Dus ook daarom ben ik blij dat zowel progressieve als conservatieve mensen nieuwe verhalen vertellen, vragen stellen, waardoor ik inzie: ‘ik snap het nog niet, ik ben er nog niet.’ En in die zin is elke ontmoeting, elk gesprek een soort opnieuw beginnen. Herken je dat?

 

Op zich wel, wel dat schurende. Wil ik erbij horen, ondanks alles, en kan ik daarmee ook nog dingen veranderen? Of ligt het zo ver weg van mijn eigen waarden dat ik beter ergens anders naar toe kan gaan. Met het risico dat je ook gaat shoppen: waar vind ik de meeste gelijkgestemden?

Wat mag het kosten, dat is de vraag. Of misschien: wat mag het je níet kosten?

Wat het voor mij niet mag kosten: ik wil dat we gelijk zijn in de relatie, in de gemeenschap. Dus als jij het niet eens bent met mij, dan mag ik het ook oneens zijn met jou. Er moet een gelijkwaardige relatie zijn.

Ik geloof wel echt in diversiteit, en dat je mensen die écht heel anders zijn dan jij nodig hebt om steeds weer uitgedaagd te worden. Wat ik zie gebeuren is dat veel mensen zoeken naar een plek waar ze helemaal zichzelf kunnen zijn, en daardoor zich omringen met dezelfde soort mensen.

Ik vind dat een beetje spannend: ik hoop dat we in een gemeenschap ook leren hoe we als maatschappij met elkaar kunnen zijn. Ik hoop dat de kerk daarin een getuigende functie kan hebben. Hoe hebben we elkaar lief in onze diversiteit, in onze verschillen?

 

Dat is heel wat anders dan de cancel culture: je zegt iets afwijkends, iets wat niet oké is, en je hoort er gelijk niet meer bij.

Ik voel me vaak verbonden met minderheden. Dus ik snap de cancel culture wél. Maar ik vind het ook spannend, omdat het niet de dialoog op gang brengt. En je daardoor de ander niet genoeg uitdaagt en meeneemt in een proces van verandering.

Wat ik wel snap, is hoe zwaar het is om te willen dat de ander verandert, maar dat je het niet ziet gebeuren. Het roept bij mij ook de vraag op: durf je zelf wel te veranderen? Ik kan dat niet verwachten van de ander als ik er zelf niet genoeg open voor sta. Je kunt volgens mij niet roepen: ‘Ik wil verandering’ of ‘het moet veranderen’ zonder te zeggen ‘ik wil veranderen’ en ‘ik verander mee’.

 

Ik denk dat bij cancel culture de gelijkwaardigheid weg is. Door die ene uitspraak weet ik wie jij bent, dus dan hoeven we elkaar ook niet meer te spreken.

Maar er zit vaak een cultuur van onmacht aan vast. Van gemarginaliseerde mensen, die eigenlijk een klacht over onze maatschappij willen verkondigen en zeggen: dit pikken we niet.

En we hadden daar nooit moeten komen. Als we goed hadden geleerd wat gemeenschap betekent, liefdevolle gemeenschappen als voorbeeld hadden gehad, dan hadden we geen cancel culture nodig gehad. En ik hoop dat dat tij nog te keren is. Dat we wel weer kunnen leren die diversiteit te vieren en elkaar lief te hebben, ook mensen die anders zijn dan wijzelf.

Ik hoop dat we in gemeenschap leren om tot een dieper niveau te gaan. Dat gaat niet over links en rechts, progressief en conservatief, maar het gaat over angsten, hoop en verhalen.

Een jaar corona heeft dat wat vanzelfsprekend leek op losse schroeven gezet. En toch is de reflex om de draad weer op te pakken. Tijdens dit ontbijt genieten we van de mogelijkheid om weer samen te komen om zo maar een vreemde te ontmoeten, en tegelijkertijd staan we stil bij de prangende vraag ‘in hoeverre willen we terug naar normaal?’ Of beter gezegd: Hoe willen we opnieuw beginnen? Lees meer over ons Holy Hub Breakfast.

Wil je verder lezen? 

Wil je wekelijks inspiratie in je mailbox?